De vrijheid
van onderwijs in België wordt gegarandeerd door Artikel 24 van de Grondwet.
Kernprincipes:
- Recht op oprichting: Iedereen mag een
school oprichten, zij het onder bepaalde voorwaarden voor erkenning en
subsidiëring.
- Keuzevrijheid ouders: Ouders kunnen
kiezen tussen officieel onderwijs (door de gemeenschap georganiseerd) en
vrij onderwijs, met verschillende pedagogische en levensbeschouwelijke
projecten
- Gelijkwaardigheid: Alle scholen, zowel
officieel als vrij, moeten voldoen aan minimale kwaliteitsnormen om erkend
te worden en subsidies te ontvangen, wat zorgt voor gelijkwaardige
diploma's.
- Neutrale overheid: De gemeenschappen
(zoals de Vlaamse) richten neutraal onderwijs op, maar moeten de vrijheid
van het vrij onderwijs respecteren, inclusief confessioneel
onderwijs.
Met
een ambitieuze en daadkrachtige minister van onderwijs zien we een sterk beleid
in de richting van uniformiteit en controle ontstaan. Het lijkt een beetje op
crisismanagement. Zelfs de vrijheid van onderwijs wordt recent in vraag
gesteld. Daarom is een strategische benadering een absolute noodzaak om de
toekomst van ons onderwijs niet op de helling te zetten. Naast het Vlaamse
ministerie van onderwijs zijn het officieel onderwijs (GO! + Provinciaal & gemeentelijk)
en het Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) zijn de hoofdrolspelers in dit
debat. Het aantal leerlingen in beide zuilen is respectievelijk 403.000 en
754.000. Dat geeft een ‘marktaandeel’ van respectievelijk +/- 34,8 en 65,2 %.
Het ROK
(Referentiekader voor onderwijskwaliteit) van het Vlaams ministerie van
onderwijs geeft de beoogde kwaliteitscriteria voor de scholen. Op het vlak van ‘begeleiden’
vinden we in het ROK de volgende bepalingen:
-
Het schoolteam biedt begeleiding zowel op het vlak van leren
en studeren, onderwijsloopbaan, psychisch en sociaal functioneren als
preventieve gezondheidszorg
-
Het schoolteam biedt elke lerende een passende begeleiding
met het oog op gelijke onderwijskansen
-
De school ontwikkelt en voert een doeltreffend beleid met
het oog op de fysieke en mentale veiligheid van de leef-, leer- en
werkomgeving
Onderwijskwaliteit
vereist aandacht voor twee fundamentele aspecten: de inhoudelijke opdracht
(overdracht van kennis) en de persoonlijke begeleiding (de drie hierboven
aangestipte aspecten uit het ROK). De kwaliteitseisen over begeleiding zijn
behoorlijk vaag en breed geformuleerd. En dat hoort zo, in het kader van de
vrijheid die beoogd wordt.
De
echte kwaliteit van onderwijs, wordt dus in de praktijk geconcretiseerd door het
schoolbeleid, maar ook door het beleid dat de scholen aanstuurt. De
hoofdrolspelers KOV en Officieel Onderwijs drukken dus hun stempel; maar ook
het ministerie dat toekijkt op de kwaliteit. De pedagogische visie van deze
drie actoren is zeer belangrijk.
Op de
website van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) lezen we de volgende visie
op kwaliteit van onderwijs.
1. We vertrekken
vanuit de emancipatorische kracht van onderwijs. Met onze inclusieve
aanpak maken we met ons netwerk het verschil. Onze
christelijke inspiratie is het fundament en de drijvende kracht
achter de doelen van kwaliteitsvol onderwijs: kwalificatie, socialisatie en
persoonsvorming.
2. We vertrouwen op
de deskundigheid van iedereen binnen ons netwerk. We delen,
ondersteunen en versterken deze expertise, telkens inspelend op nieuwe
uitdagingen die de samenleving aan ons onderwijs stelt.
3. Verbinding staat
centraal. We organiseren ons zodanig dat samenwerking zowel elk lid
als het collectief beter maakt. We bouwen partnerschappen uit om
vanuit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid antwoorden te bieden op maatschappelijke
ontwikkelingen.
4. We zijn overtuigd
van het belang van de vrijheid van onderwijs. Vanuit die overtuiging
behartigen we onze belangen op alle maatschappelijke en politieke niveaus.
ZIE: https://www.katholiekonderwijs.vlaanderen/missie-en-visie
Op de website van het gemeenschapsonderwijs
(GO!) Lezen we volgende visie:
Drie didactische interventies
uitgelicht
De bouwstenen ‘doelgerichte
differentiatie’, ‘werken aan zelfregulerende competenties’ en ‘samen
leren’, zijn niet nieuw. Het zijn didactische interventies die deel uitmaken
van zowel de basis-, leergebied- als vakdidactiek. Ze staan er niet naast of
boven. We lichten deze drie eruit omdat diverse metastudies (o.a. Hattie en
Education Endowment Foundation) aantonen dat ze tot extra leerwinst leiden als
ze juist worden ingezet. Toenemende digitalisering biedt ons hierbij
bijkomende kansen. Expertise en expertise-opbouw bij de onderwijsprofessional
zijn belangrijk.
Ook zijn we ervan overtuigd dat deze
drie interventies een antwoord bieden op de grote diversiteit aan onderwijs- en
zorgnoden bij onze lerenden. Door extra in te zetten op doelgerichte
differentiatie, het aanleren van zelfregulerende vaardigheden en samen
leren willen we die gelijke onderwijskansen voor elke lerende realiseren.
Tot slot is
de context belangrijk. De focus op wetenschappelijke
onderbouwing is niet los te zien van de waarde die we hechten aan de
onderzoekende houding. Omdat elke school anders is, bekijkt elke school hoe zij
het wetenschappelijk onderzoek toepast met haar leerlingenpopulatie, in haar
demografische context en met haar lerarenkorps. Elke school maakt een
eigen vertaling van ‘gepersonaliseerd samen leren’ waarin de bouwstenen
herkenbaar zijn en die in dat opzicht de poolstervisie nastreeft. Tegelijkertijd
geeft de school aan hoe ze dit binnen de eigen context wil bereiken.
En
laat nu de pedagogische visie over begeleiding het grote verschil maken in de
praktische resultaten, zoals verder wordt aangetoond! Dan is het beleid
(schools en boven schools) aan zet om dit aspect professioneel te faciliteren.
De praktijkkennis moet in de scholen zitten, en ze zit daar ook. Maar de vraag
is of de hedendaagse uitdagingen voor het onderwijs niet aantonen dat de lat
een stuk hoger moet liggen. In de beide netten (de hoofdrolspelers) is zeker het
bewustzijn aanwezig dat de begeleiding geïntegreerd moet zijn met de
inhoudelijke kennisoverdracht (zie mijn onderlijnde stukken in de boven
vermelde visieteksten). In beide netten zijn er scholen die dat voortreffelijk
nastreven en blijven ontwikkelen; in beide netten zijn ook scholen te vinden
die daarin nog een hele weg te gaan hebben. Hoeveel er zijn van elke soort is
moeilijk te kwantificeren, en misschien minder relevant. Veel belangrijker is
de leersnelheid om de schoolpraktijk te laten aansluiten bij de hedendaagse
context. En het verschil moet niet gemaakt worden in de methodiek of
intensiteit om inhoud aan te bieden, maar in de gepaste begeleiding. Het
spanningsveld dat we nu ervaren zit onder de symptomen die we kennen:
schoolmoeheid, watervalsysteem, spijbelen, pestgedrag, agressie,
leerkrachtentekort, overbelasting van medewerkers, …
|
Je kan een prei
niet laten groeien door eraan te trekken! |
Om het
belang hiervan goed in te schatten, is een kwalitatieve analyse van de actuele
onderwijscontext noodzakelijk. Dit heeft te maken met visie en kennis, niet
alleen met cijfers. Op basis van een jarenlange ervaring in het begeleiden van
organisaties – waaronder scholen-durf ik de volgende fundamentele
vaststellingen maken in dit verband:
a)
De maatschappelijke context waarin kinderen en
jongeren moeten opgroeien is veel moeilijker geworden.
b)
Deze moeilijkheid wordt veroorzaakt door een
hele reeks feitelijke situaties, waaronder zeker:
-
De nieuwe media die jongeren ontijdig en
rechtstreeks confronteren met de volle complexiteit van het menselijk bestaan
met alle excessen van menselijk gedrag die daarbij horen. De achterliggende doelgerichte
beïnvloeding van jongeren in hun denken is bovendien sterk gestuurd door
commerciële belangen die bewust verslavend gemaakt worden.
-
Door de steeds hogere eisen aan productiviteit,
flexibiliteit, … vanuit de economische omgeving, is het aantal werknemers
(ouders) dat kampt met stress en de aanverwante mentale problemen sterk
gegroeid.
-
Door het toenemend aantal echtscheidingen en
nieuw samengestelde gezinnen wordt de sociale en emotionele ontwikkeling van
kinderen dikwijls verstoord.
-
De multiculturele sociale context zet alle
direct betrokkenen in onderwijs en opvoeding voor extra uitdagingen.
-
De opleiding van leerkrachten blijft hardnekkig primordiaal
gebouwd op vak inhouden
-
…
c)
De psychologie van menselijke ontwikkeling heeft
recent belangrijke nieuwe inzichten gebracht over de noden van opgroeiende
kinderen en de problemen die ontstaan wanneer niet aan deze noden wordt
voldaan: neurologie, geestelijke gezondheid, inclusie, …
d)
Een belangrijk inzicht daaruit is dat de veilige
binding die kinderen nodig hebben om een autonome persoonlijkheid te
ontwikkelen, steeds minder kansen krijgt, en steeds meer mentale aandacht
vraagt.
e)
Een basisinzicht in neurologie is ook dat een
brein (zeker bij jongeren), dat gedomineerd wordt door emotionele onzekerheid,
geen ruimte laat voor concentratie op iets dat gevoelsmatig niet aan hun
primaire noden voldoet.
f)
De conclusie is duidelijk: De leerproblemen die
op deze manier ontstaan bij een steeds groeiend aantal kinderen en jongeren
moeten aangepakt worden. Zonder deskundige begeleiding is ontwikkeling van
kennis en vaardigheden onmogelijk.
Door
sterker in te zetten op leerinhoud (aanbod versterken en rationaliseren), ten
koste van de psychosociale begeleiding, wordt de crisis versneld en verder
vergroot. De psychische capaciteit van jongeren om te leren wordt nog meer
verwaarloosd dan reeds nu het geval is.
Als vrijheid van onderwijs een kans biedt aan meer
geavanceerde pedagogische methodieken, is het een levensnoodzakelijke vrijheid.
Anders krijgen we een nivellering naar beneden. Want beide hoofdrolspelers
hebben persoonlijke ontwikkeling duidelijk in hun visie gezet. Concreet
betekent dit dat met een beleid dat meer op inhoud gericht is en minder pp
‘zorg’, nog minder aandacht en middelen gaan naar de begeleiding en daardoor nog
meer jongeren gaan rebelleren, falen en afhaken. Dat doen ze niet omdat ze
onbekwaam of van slechte wil zijn, maar omdat ze niet de begeleiding krijgen
die hen tot leren moet brengen. De expliciete aansturing van bovenuit
(ministerie en koepels) zou minstens de visie, intentie en deskundigheid moeten
respecteren waar die aanwezig is. Die aansturing moet ook expliciet meer
investeren in kennisontwikkeling over begeleiding. Niet afbouwen, maar
ontwikkelen!
Iedereen heeft eigen overtuigingen, en dat is
toegelaten. Maar als ze de nodige kennis om een kwalitatief beleid te voeren
verdringen, laat het dan over aan anderen (wat zo voorzien is in de grondwet!).
Ga dan geen voorbeelden van het eigen gelijk zoeken in een 19de -eeuwse
praktijk in een Angelsaksisch land. Ga misschien eens kijken in Finland, met
een open geest.
Er is de jongste jaren zwaar ingezet op
zorgbegeleiding. En toch hebben we nog een crisis. Dat bewijst niet dat
inzetten in zorg de foute keuze was. Dat bewijst misschien wel dat het probleem
veel groter en complexer is dan gedacht, en dat er andere methoden en
structuren moeten ontwikkeld worden om het aan te pakken. En het betekent
vooral dat het sneller moet gaan. Leervermogen, een open geest en betere
organisatie is hier essentieel. Het leervermogen in het onderwijs(beleid) lijkt
ernstig te kort te schieten!
De oplossing ligt dus zeker niet in het versterken van
de operationele greep van het ministerie van onderwijs. Door de politieke
insteek zit daar per definitie niet de pedagogische deskundigheid voor
kwalitatief onderwijs. Heel wat recente maatregelen hebben een negatief effect
op het vermogen van scholen om hun kernactiviteit (begeleiden) te versterken
(denk bvb aan de afschaffing van pedagogische studiedagen). En vooral, ze zijn
een inbreuk tegen de vrijheid die in de grondwet is vastgelegd.
Samengevat:
-
De vrijheid van onderwijs is een grondwettelijk
recht en dus niet zomaar af te schaffen.
-
De vrijheid beperken ten koste van de
mogelijkheden van scholen om aan begeleiding te werken, gaat in tegen de eigen
kwaliteitscriteria van het ministerie van onderwijs (ROK).
-
De vrijheid beperken door operationele
bemoeizucht is contraproductief voor de kwaliteit van ons onderwijs.
In mijn recent boek ‘Ontwikkelen naar wijsheid en
maturiteit’ wordt het onderwijs als expliciet voorbeeld beschreven van de nood
aan ontwikkeling van leidinggevenden (alle niveaus). Het maatschappelijk belang
van onderwijs schept een hoge urgentie op dit vlak. En wat is de belangrijkste
eigenschap van goede leiders? WIJSHEID en MATURITEIT!
Enkel wijze en mature mensen:
-
Gaan niet op zoek naar het eigen gelijk, maar
naar de nodige kennis;
-
ze nemen feedback ernstig en gaan niet in het
defensief als een ego-reflex;
-
ze stellen hun overtuigingen in vraag, en
accepteren de consequenties;
-
ze reflecteren over hun eigen persoonlijkheid,
ook als dat leidt tot confronterende inzichten;
-
ze kijken naar de echte resultaten van hun werk,
en lopen voorop in ‘’leren’;
-
ze zijn niet benauwd om van idee te veranderen
als dat blijkt nodig te zijn;
-
ambiëren geen posities waarvoor ze objectief de
competenties niet hebben;
-
lopen niet mee met een stroming die hun ego
dient in plaats van hun opdracht;
-
zijn gericht op bijdragen en niet op
zelfbediening;
-
zijn emotioneel intelligent zodat ze de hier
beschreven noden van jongeren begrijpen, maar ook hun eigen drijfveren;
-
beslissen niet ‘kort door de bocht’, maar na
rijp beraad en met mededogen voor alle betrokken partijen;
-
hebben aandacht voor het hele systeem waarin ze
zitten, en niet alleen voor hun eigen belangen en ambities;
-
denken en handelen vanuit waarden, en niet
vanuit persoonlijke emoties;
-
…
De weg naar maturiteit is een pittige uitdaging, want
verbonden met het eigen verleden, maar niet onmogelijk. Het boek geeft een
onderbouwde analyse en beschrijft een methodiek voor ontwikkeling, gericht op
persoonlijke groei en op teamontwikkeling. Daarom wordt het ook gratis
aangeboden (digitaal) aan mensen in ‘onderwijs’ en ‘zorg’.
Zie ‘hugoderkinderen.blogspot.com’
Hugo
Der Kinderen
Januari
2026